is toegevoegd aan uw favorieten.

De faun

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hij had zich, met een groote angst in zijn kloppende hart en toch vervuld van een hoop die hem steeds verder voortdreef, door de struiken voorzichtig een weg gebaand.

Hoe lang hij geloopen had, dat wist hij niet, en waar hij precies was, dat wist hij ook niet; maar plotseling hoorde hij, — het geluid kwam naar hem toe van een paar groote boomen op een open plek, — een trillenden, vollen toon. Hij had direct geweten. . . . Dat is de Faunl Hij was niet bang geweest; hij was vervuld van een groote blijdschap, omdat hij, in het onbetreden domein, den Faun hoorde.

De heldere klanken regen zich aaneen tot een wijde, verre klaarte. De macchia-velden leken minder dicht begroeid, de hemel verwijdde zich en de vérgezichten over het land, over het groote dal doemden op.

En ver, ver aan den einder gloorde de groote, groote zee.

De klanken versmolten in een enkelen toon die, steeds durend, voortgolfde door de lucht. Hij liep door. De klank beroerde zijn hart, zooals nog niets in zijn leven hem had beroerd. Hij voelde zich omringd door dezen enkelen toon, die, onmetelijk wijd, hem omvatte. Hij vergat Psilorita, het gehucht dat hij kende; hij vergat al de voorstellingen die hij zich zelf had gemaakt van het dorp in het dal, van de vele menschen, — want Pietro was nog nooit in het dal geweest, — en hij