Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aangesproken te worden met de woorden uit zijn eigen, geliefde, zangerige taal. Hij begon te spreken:

—- Ik heb gehoord wat Pietro vertelde over de vreemdelingen. ... Ik stond reeds langen tijd tusschen de olijfboomen en wilde U niet storen. . . Ik heb gehoord dat Umberto, mio figlio, Pietro zond om den Faun te vinden.

Hoewel ik geloof dat Pietro, Umberto's zoon, den Faun heeft gehoord, zooals wij allen vaak zijn wonderlijke fluit hoorden, wéét ik dat de jongen niet een wezen heeft gezién zooals wij zijn, een wezen van vleesch en bloed.

Het heidensche geloof is dood,. . . wij, die gelooven in Gesü Cristó, die voor ons gestorven is aan het Kruis, wij wéten dat de heidensche godsdiensten dood zijn. In dit onbetreden land, aan de andere zijde der macchia-velden, daar leeft de herinnering

voort aan vele gebeurtenissen daar leven nog

de beelden uit het verleden.

Zij leven daar nog, zooals wij dezen soms hooren in den wind die rond de stammen der boomen trilt, in den wind die vanuit de zee naar de bergen waait en in den wind die tot ons komt uit het onbetreden

domein. En deze déze heeft Umberto's zoon,

de kleine Pietro gezien 1

Weest niet bevreesd! De vreemdelingen zullen

den Faun niet vangen! Hij is onvindbaar en

ongrijpbaar voor hem! zij zullen onverrichter

zake terugkeeren.

Sluiten