Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hij liep recht op het huis aan van Campazzi, den wijnkooper.

De winkeldeur stond open; voor het huis waren op straat een paar tonnen neergezet en rondom deze stonden eenige kleine, driepootige stoeltjes. Boven de deur hing een vat, zwart geteerd; de gele, koperen banden glansden in de zon. Pietro bleef in de deur staan en tuurde naar binnen, in de schemering. Ook hier lagen tonnen; langs den wand van het ruime vertrek waren zij, tot aan den zolder, hóóg opgestapeld. Hier en daar glom een kraan.

■— Campazzi 1 riep Pietro.

Een antwoord bleef uit. Verder in het huis klonk een flauw stemmengemompel.

■—■ Campazzi1..... Heila, Campazzi],schreeuwde nu Pietro.

Het geroezemoes verstomde; een deur sloeg dicht. Om den hoek in den gang verscheen een nietig klein, spookachtig mager kereltje.

.—• Campazzi, herhaalde Pietro, wees blij dat ik een eerlijk mensch ben. . . . Anders, ik had je winkel leeg kunnen halen.

Het mannetje bleef voor hem staan, keek Pietro in het gelaat, kneep zijn oogen dicht. Haastig stapte hij een paar passen achteruit.

■—■ Ben je stóm geworden, Campazzi?, vroeg Pietro geërgerd.

.— Het is Pietro, mompelde de wijnkooper, Pietro uit Psilorital. . . . Hij slikte, poogde zijn ver-

Sluiten