Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hem even aan toen de wijnkooper zich bij hem voegde en streek zich door het krullende haar; hij smakte luid met zijn lippen, knipte met de vingers en mompelde binnensmonds een verwensching.

— Waarom zoo verstoord, vriend Mario, zei Campazzi temerig. Het was toch te voorzien dat hij eens komen zoul Je hebt toch aan de vreemdelingen gevraagd hem uit te noodigen?

— Vroeger waren wij goede vrienden, Pietro en ik, mompelde Mario. . . . Door onze schuld is het geheele dorp verstoord op Pietro I. . . . Wij waren vroeger goede vrienden, herhaalde hij. . . . Ik krijg serouw, Campazzi!, ik slaap er 's nachts niet van; ik heb angstdroomen. Mijn eetlust is verdwenen, il doet Mariëtta nog zoo haar best. Waarachtig, k word mager!;.. . het is zool En mijn eigen wijn smaakt mij niet meer.

De wijnkooper grijnsde:

— Je hebt last van je geweten, spotte hij. Je zult

ïog eindigen alles te vertellen Je zult nog naar

ïem toe gaan, naar dien ouden dwaas Pietro, hem /ertellen wat er geschiedde en hem vragen je te vergeven.

— Het zou het beste zijn, zuchtte Mario; hij krabde -Ach weer achter zijn oor. . . . Dan zou ik weer ilapen als vroeger, mijn eetlust zou terugkeeren :n de wijn zou mij weer smaken. . . .

— Je wordt oud!, spotte weer Campazzi. Je bent :en oud wijf Mario. ... Je behoorde op de rozenrelden te werken in plaats waard te zijn in je her-

Sluiten