Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— Padre!

De oude man stond stil; heel even schrok hij. Zijn neergebogen hoofd draaide hij opzij en hij keek, eerst zonder te herkennen, neer op den jongen die naast hem stond.

—■ Padre, fluisterde Pietro, verontrust door den vreemden blik waarmee de priester hem aankeek. Nu verlevendigde de roerlooze gestalte van den ouden man. Zijn oogen werden helder en een flauwe glimlach werd geboren rond zijn dunnen mond.

— Pietro. . . . mijn jongen, zei hij vriendelijk.

— Hoe zacht klinkt zijn stem, dacht de jongen, die reeds weer gerustgesteld was en weer denken dorst.

— Wat doe jij hier, zoo vroeg op het pad buiten Psilorita?. . . . Waar is Umberto, je vader?

■— Mijn vader slaapt nog, Padre.

— Hij slaapt nog, herhaalde de oude man, zijn stem klonk vroolijker.

Pietro knikte. Hij keek den priester strak aan. Hij zag elk lijntje, elke groef in het oude gelaat. Hij tuurde naar den grooten, smallen neus en naar het hooge, gewelfde voorhoofd.

— Hoe oud was hij, hun priester. . . . ouder dan zijn grootvader, dacht Pietro. . . . En hoe jong was hij zelf! Nog nooit had hij het gewaagd den priester aan te kijken als nu; nog nooit ook, had hij zich zoo veilig, zoo vertrouwd gevoeld als nu.

Hij was alleen met den priester; alleen op het smalle pad aan den rand van de macchia-velden. . . . Achter hem lag Psilorita, waar iedereen nog sliep. .

Sluiten