is toegevoegd aan uw favorieten.

Romeinen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de laagste en gruwelijkste monsters. Dit is de beteekenis van een Nero, in wiens kring en voor wiens oogen de apostel van Jezus Christus straks zal staan en thans in zijn Brief reeds spreekt.

Maar dit tafereel van schanden en ellenden, die overgegevenheid door den toorn Gods, was een openbaring niet slechts voor Rome, maar voor heel de wereld. Niet slechts voor de Heidenen, maar ook voor de Joden. Niet alleen voor Paulus' tijd, maar voor a//e tijden. In die schandmenschen, in die monsters, in die gruwelen, in die tijden, ziet ge de menschheid. die God onteerde, het verdorven menschelijk geslacht, het verdorven menschelijk leven. In dien Nero ziet gij den mensch. uzelf.

Dit is het redebeleid des apostels, de uitspraak van het Woord Gods gelijk het hier spreekt.

Men heeft dit redebeleid der Schrift miskend en daardoor de Schrift verdraaid. Rom 1 : 18—32 was dan alleen met het oog op de heidenwereld en voor de Heidenen geschreven. Rom. 2 richtte zich dan uitsluitend tot de Joden. En zoo bleef er voor de Christenen te Rome, en voor ons, in dit stuk van Paulus' Brief, in de Schrift Gods, eigenlijk niets over.

Opmerkelijk is, dat het Woord Gods door den apostel in Rom. 1 : 18—32 geen Heidenen noemt, en in Rom 2 eerst in vs. 17 een Jood aanspreekt. De apostel spreekt van menschen. En het is bepaald ook zijn bedoeling om hier, waar het den toorn Gods over de menschen geldt, geen scheiding van Heidenen en Joden toe te laten. Ze zijn één in de ongerechtigheid en één onder den toorn van God. De apostel spreekt dan ook in Rom. 2 den mensch aan.

Zeker, er is onderscheid tusschen menschen en menschen.

Wel zijn ook de gruwelen der Heidenen onder de Joden doorgedrongen. De Historie gewaagt van hun afgoderij. Ook de schandjongens met al de gruwelen der Heidenen, worden minstens reeds onder Rehabeam bij hen gevonden (1 Kon. 14:25). Alle ongerechtigheden zijn bij hen uitgebroken. Maar er is toch een teugel bij hen. Een hooger stand in de kennis van God en in de goede zeden neemt naar het getuigenis aller historiekenners Israël als het volk der Openbaring en des Verbonds toch ongetwijfeld onder de volken der oudheid in.

Onder de Wet was, zij het uitwendig, de kennis der zonde bij Israël algemeen. Een oordeel riep in en uit dit volk tegen de ongerechtigheid en voor den levenden God.

Maar er was ook onderscheid tusschen Heidenen en Heidenen. Ook onder Heidenen heeft burgerdeugd geblonken. Ook daar is eerbaarheid gekend. Ook daar is een leven geoefend, dat niet in lage