Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dikker, tot wij onze rnedemenschen vinden in de meest dierlijke wilden, die zelfs het Noachitisch verbond vergaten en het vleesch van hun medemensch tot spijs kozen. Hier geldt ten volle het „zonder Wet" Hier is ook het leven het meest teugelloos, het laagst gezonken. Toch gaat de nuanceering tusschen lichter tinten en zwarter zwart ook hier nog door.

Ook in eenzelfde volk en tijd, waarin het Woord Gods doordrong, is de afstand tusschen menschen van gelijke beweging, wat hun aanraking met het licht van Gods gebod aangaat, zoo verbazend groot. De farizeën in Israël keurden dien afstand schier onmetelijk, als hun mond met den blik hunner verachting het „vervloekt" uitsprak over „die schare, die de Wet niet weet" (Joh. 7 :49). Zoo hebben in de middeleeuwen millioenen zielen in donkerheid geleefd, terwijl het Woord Gods in de kloosters gekluisterd lag. Zoo leven ook thans in Christenlanden in klimmend getal beschaafden en onbeschaafden, die de geboden Gods niet meer kennen; in de groote wereldsteden en in verwaarloosde plattelandsstreken vindt ge een onberekenbaar getal van menschen, die van God en zijn gebod volslagen onkundig zijn.

Oudtijds is dan ook onder de volken, voor zooveel het geopenbaarde licht van Gods gebod uit de verte tot hen doordrong, dit licht opgevangen door sommiger oog, terwijl de lichtstraal in de hoeken en schuilhoeken van het volksleven zelfs geen flauw schijnsel wierp. Kasten en zeden, verhoudingen van man en vrouw, van heer en slaaf, werkten die nuanceering uit.

Ook waar het licht schijnt, daar dringt het niet door vóór de ontsluiting van het bewustzijn. Het gebod blijft den gekrenkte van geest en den idioot vreemd; en het wacht het kindeken op, zonder in den eersten levenstijd het te kunnen ontmoeten.

Naarmate nu het zondigen zonder Wet geschiedde, naar die mate zal ook het oordeel zonder Wet zijn. Zóó wil de apostel het zeggen. In den dag des gerichts zal het menschelijk leven tot Gods rechterstoel terugkeeren, het leven, met het licht waardoor het werd beschenen, en zonder het licht, waaraan het vreemd bleef. Het zal voorbij den Almachtige gaan, gelijk het bestond onder zijn bedeeling; en het zal van Hem rechtvaardig geoordeeld worden. Voor zooveel Gods menschen zonder Wet zondigen, voor zooveel zullen zij ook zonder Wet verloren gaan.

Zij zullen verloren gaan; zij zullen het oordeel Gods niet ontvlieden; zij zullen overgegeven worden aan het verderf (hetzelfde woord gebruikt de Schrift hier als in Joh. 3: 16). Want zij hebben gezondigd, hoezeer ook verschillend in de maat hunner ongerechtig-

Sluiten