Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niet juist de bevestiging, de vervulling der Schrift die van Abrahams rechtvaardiging uit het geloof getuigt (Jak. 2 : 23)?

De rechtvaardiging van Abraham gaat dan ook aan die werken vooraf.

Als de Schrift Abrahams rechtvaardiging voor God verhaalt, gaat het wel allerminst over zijn werken, over zijn vleesch. Er bestond toen voor Abraham nog geenerlei onderscheiding der werken en des vleesches, en daarom ook geen besnijdenis.

Daarom zegt de apostel: M a a r n i e t b ij God; dit wil zeggen: Abraham zou roem hebben, indien hij uit de werken gerechtvaardigd ware; maar in de Schrift spreekt God, en Hij ontzegt uitdrukkelijk dien roem aan Abraham; Abraham heeft dien roem bij God nier. Dus is hij ook niet gerechtvaardigd uit de werken.

WantwatzegtdeSchrift? En Abraham geloofde God en het is hem gerekend tot rechtvaardigheid.

Dat zegt de Schrift. En hiermee is die gewaande roem afgesneden. Hierdoor blijft er geenerlei roem voor God en daarom geenerlei roem op rechtvaardiging naar het vleesch tegenover de menschen over. De Schrift constateert alleen het geloof van Abraham, en de genadige toerekening van gerechtigheid door God. En zoo is de rechtvaardiging van Abraham voor God een rechtvaardiging door het geloof alleen.

Het Evangelie van Jezus Christus wordt door Abrahams rechtvaardiging niet omvergestooten, — neen, dat Evangelie openbaart juist aan alle geslachten den zegen, die reeds aan Abraham toegezegd was, en waarvan hij, niet boven allen, maar vóór allen de gezegende bezitter mocht zijn: de rechtvaardigmaking voor God, zonder naar het vleesch of de werken in iets van anderen onderscheiden te zijn; de rechtvaardigmaking door het geloof.

Hoe komt dan Abraham in die rechtvaardiging voor? Wat zegt ons die rechtvaardiging door het geloof over Abraham naar het vleesch?

Nu hem, die werkt, wordt het loon niet toegerekend naar genade, maar naar schuld: doch dien, die niet werkt, maar gelooft in Hem die den goddelooze rechtvaardigt, wordt zijn geloof gerekend tot rechtvaardigheid.

Abrahams geloof is hem tot gerechtigheid gerekend; alle werken vallen hier buiten; wien het geloof tot gerechtigheid gerekend wordt, die wordt als een goddelooze gerechtvaardigtiuit genade.

De Schrift zegt niet, dat de Heere Abraham rechtvaardigde om zijn geloof; het geloof was hier niet een werk, dat rechtvaardig maakte. Het geloof werd hier gerekend wat het niet was; de rechtvaardigheid

Sluiten