Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ze werden in hun werking in wereld en menschheid voor de verdere, de nieuwe historie na den Zondvloed geknot, gebreideld, geboeid.

Hierin is het terrein der Noachitische wereld en historie gegeven, die door het Noachitisch verbond der gemeene genade Gods verzekerd wordt.

De Zondvloed is zelf een boei voor de wereld, een boei, die in de nieuwe formeering der aarde en in de vastlegging van haar verhoudingen ten deele blijft en werken blijft. Heel het schepsel is der dienstbaarheid onderworpen; het kan het hoofd nog wel opsteken, maar het is onvrij; het is mede dienstbaar aan de verderfenis, maar het bestaat nochtans in hope op vrijmaking. De ordening des Heeren stelt nu in deze wereld den wisselenden gang der Natuur vast. Gods ordinantie geeft vastheid aan het leven der menschheid in de weermacht tegen het gedierte en in de Overheidsmacht met het zwaard tusschen mensch en mensch. Voortgaande ingrijpende ordening Gods brengt de onderlinge schikking en onderschikking der Noachitische geslachten, de uiteenbuiging der volken in koninkrijken, en het eigen terrein en volk voor de genadige openbaring, dienst, afschaduwing en voorbereiding van het Koninkrijk des Heeren in Abrahams geslacht, in Israël als volk, onder den tuchtmeester der Wet.

Zoo leeft de wereld der menschheid sinds Noach en Abraham; zoo bestaat de oude wereldconstellatie in Israël en de volken.

De volken wandelen in hun wegen, onder de niet geheel te verbreken banden der openbaring Gods in de Schepping gegeven, en ook der bizondere openbaring Gods, die tot op Babels verwarring het eigendom van heel de menschheid was. Het „werk der Wet", den mensch ingeschapen, blijft in een overblijfsel werken in de harten der volken, getuigen in de conscientiën en waken over wetten en heerschappijen; en God is niet verre van hen, hun goeddoende van den hemel, al is Hij hun een Onbekende. Geestelijk gedeeld en gebonden, geordineerd en onder wachten bewaard, leven de volken en werken zich ten deele elk op eigen wijze geestelijk uit, doende den wil des vleesches en der gedachten. Satan is onder hen machtig; de waarheid wordt in ongerechtigheid ten onder gehouden; de heerlijkheid Gods wordt veranderd in de eer van een verderfelijk schepsel; evenwel houdt ook in de afgoderij de religie de geesten der menschen vast.

In Israël bindt de Wet en houdt de Geest der genade de lamp des geloofs en des geestelijken levens in een beginsel brandende, terwijl de Heere daar zijn waarheid, zijn Woord, Zichzelf openbaart; ook in dit Israël komt echter het vleesch in zijn verdorvenheid uit.

Neen, Satan en zonde kunnen niet zegepralend doorbreken. Heel

Sluiten