Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En uit hen, — o aanbiddelijk Godsgeheim! — uit hen is „Christus zooveel het vleesch aangaat", Christus, die is „God, Godzelf boven alles te prijzen in der eeuwigheid, Amen!"

Zóó jubelt de apostel over Oud-Israël, terwijl zijn harte bloedt over deze zijn maagschap naar het vleesch.

Maar zóó staat hij dan ook, willig zijn hartebloed offerende, in hoogen liefdegloed en heilige trouw pal, de banier des Evangelies dragende boven de Gemeente van Christus uit de wereldvolkeren, — veroordeelende het Jodendom, dat zich tegen het Evangelie van Christus handhaven wil!

En zóó moet in het apostolisch spoor staan de Christelijke Kerk.

Wee haar, zoo zij de waarachtigheid der inwoning Gods in OudIsraël verloochent en Oud-Israël als Gods waarachtig heilig volk tot op de verhooging van Christus miskent!

Wee haar, zoo zij niet kent de smart om de verharding over het Jodendom!

Maar wee ook haar, zoo zij er van aflaat, de banier van den Naam des Heeren eeniglijk op te heffen boven de Gemeente van den Heere Jezus Christus, — het ééne en eenige waarachtige volk van God in de wereld!

HET WOORD GODS NIET UITGEVALLEN.

Doch (ik zeg dit) niet, alsof het Woord Gods ware uitgevallen.

Want die zijn niet allen Israël, die uit Israël zijn; noch omdat zij Abrahams zaad zijn, zijn zij allen kinderen; maar: in Izak zal u het zaad genoemd worden. Dat is: niet de kinderen des vleesches die zijn kinderen Gods, maar de kinderen der beloftenis worden voor het zaad gerekend. Want dit is het Woord der beloftenis: omtrent dezen tijd zal ik komen en Sara zal een zoon hebben.

En niet alleenlijk (deze), maar ook Rebekka is (daarvan een bewijs), als zij uit éénen bevrucht was( (namelijk) Izak, onzen vader. Want als de (kinderen) nog niet geboren waren, noch iets goeds of kwaads gedaan hadden, opdat het voornemen Gods, dat naar de verkiezing is, (vast) bleve, niet uit de werken, maar uit den roepende, zoo

Sluiten