Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

elk opzicht, waarin de geloovigen die voldoening schuldig waren, in schatting, vreeze en eere. Zoo duidt dan ook de apostolische vermaning, dat de geloovigen aan niemand iets zouden schuldig blijven, allereerst op hun roeping, om ook in het menschelijk gemeenschapsleven rechten van anderen en plichten tegenover anderen te erkennen.

Gods Woord kent niet eenzijdig het recht der overheden, maar ook de rechten der volken, ook de rechten en de eere der menschen in het gemeenschapsleven. Het erkent een menschelijke samenleving met eigen recht en eere; en het erkent alzoo niet alleen een recht van den Staat, maar ook maatschappelijk recht.

Dit recht van menschen in de menschelijke samenleving is zeer veelvoudig en zeer samengesteld. Er is vóór alles een recht van het leven. En in het leven zijn er rechten van mannen en van vrouwen, rechten van den echt, rechten van ouders en van kinderen; rechten van heeren en vrouwen en van dienstbaren; rechten van bezit en van arbeid, van nijverheid en van koophandel, rechten van wetenschap en kunst, van vereeniging, van School en van Kerk. En zoo veel meer. En in en bij dit alles zijn er rechten van zeden, waarin de menschelijke eere geëerbiedigd en gehandhaafd moet worden, rechten op waarheid en trouw, rechten op menschelijk gemeenschapsbetoon, op de menschelijke naastenliefde.

Al deze rechten zijn er door Gods instelling, ordening en gebod. En deze rechten vorderen eerbiediging en voldoening, evenzeer als het overheidsrecht.

Zoo hebben de geloovigen in Christus Jezus dan ook in het menschelijk gemeenschapsleven de roeping, deze rechten te kennen en te erkennen, ze te doen treden in het licht, voor hun erkenning te ijveren, en in hun eigen leven hun schuldigen plicht tegenover die rechten te voldoen.

Het einde hiervan is niet te vinden, want Gods gebod is zeer wijd. Het vordert van den éénen mensch tegenover den anderen de liefde, de liefde tot den naaste, waarin de kennis, de erkenning en de voldoening van alle rechten van mensch tegenover mensch in volmaaktheid gelegen zijn, en waaruit die altoos fijner, edeler en volmaakter opkomen. Wie den ander liefheeft, die heeft de wet Gods voor het menschelijk gemeenschapsleven, de tweede tafel der wet vervuld.

In deze liefde moeten de geloovigen als aller voorbeeld steeds toenemen, en jagen in wedijver om den prijs hunner roeping van God. Daarom blijven zij hierin altoos schuldig. Maar in de voldoening van het recht, dat tusschen hen en den medemensch vaststaat, behooren zij niemand iets schuldig te blijven. Hiertoe behoort stellig ook de voldoening van schuld in geld en goed, door koop of verkoop, door

Sluiten