is toegevoegd aan uw favorieten.

Romeinen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

overeenkomst of overgang naar recht. Zulke schulden ook verwoesten de menschelijke samenleving, zoo ze worden gemaakt en niet voldaan. Maar om deze schulden van geld of goed mag de apostolische bedoeling niet miskend worden, die de erkenning van alle menschelijke rechten in menschelijk samenleven vordert, wanneer hij naar de geloovigen in het Rome der wereld schrijft: „Zijt niemand iets schuldig dan elkander lief te hebben, want die den ander liefheeft, die heeft de wet vervuld."

Het beginsel der goddelijke instellingen voor de menschelijke samenleving waarin de menschelijke rechten en plichten liggen, die erkenning en voldoening vorderen, is de liefde. De liefde tot God is hier de bron en de wortel; maar in de liefde tot den naaste moet deze liefde tot God uitkomen in het menschelijk gemeenschapsleven. En de hoofdlijnen der goddelijke instellingen voor dit samenleven naar het beginsel der liefde, waarin de menschelijke rechten en plichten liggen zijn de geboden van Gods heilige wet, de geboden Gods voor het leven van mensch tegenover mensch in de tweede tafel der wet begrepen.

De apostel wijst daarom de geloovigen op die geboden.

Het gebod der eere voor vader en moeder gaat hij daarbij voorbij, wijl de vordening van dit gebod reeds in de voorafgaande vermaning met betrekking tot de gestelde machten begrepen is.

Eerst noemt hij hier het gebod, dat voor den echt en voor het geslachtsleven geldt: gij zult geen overspel doen. Uit het geslachtelijk leven, waarmee de echt als het hoogste natuurlijke, zedelijke menschelijke gemeenschapsleven geordineerd en gegeven is, komt heel het menschelijk gemeenschapsleven op; en in den echt blijft het menschelijk gemeenschapsleven als in een eenheid in den hoogsten zin bewaard.

Daarna wijst de apostel op het gebod „gij zult niet dooden", waarin mensch tegenover mensch voor diens leven verantwoordelijk gesteld wordt.

Vervolgens noemt hij het gebod „gij zult niet stelen", waardoor God voor ieders deel in het goed der aarde erkenning en beschutting vordert en bedreigt wie hierin zijn naaste niet eerbiedigt en aan diens recht niet voldoet.

Daarna noemt hij het gebod „gij zult geen valsch getuigenis geven", waarmee ieders recht op waarheid en eere, op het getuigenis en het woord van den naaste door God is vastgesteld en van zijn evenmensen ingevorderd wordt.

En eindelijk noemt hij het gebod „gij zult niet begeer en", waarmee de vordering der erkenning van het goddelijk recht tusschen mensch en mensch tot het menschenhart doordringt, wijl elk zich in het recht,