Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Koninkrijk Gods. Hoe moeten de geloovigen deze levensweldaden gedurig op allerlei wijze verloochenen voor het geloof. Welnu, de schatten van het Koninkrijk Gods zijn rechtvaardigheid en vrede en blijdschap door den Heiligen Geest en in de gemeenschap der heiligen; voor die schatten moeten ondergeschikte genietingen worden prijs gegeven om Christus' wil. Want wie Christus in deze dingen dient, ter wille der broederlijke liefde, die is Gode welbehagelijk en aangenaam den menschen.

De apostel vernieuwt daarom zijn vermaning met het oog op de gemeenschap der heiligen in den Heere Jezus Christus: zoo laat ons dan najagen hetgeen tot den vrede en hetgeen tot de stichting, sterking, opbouwing, onder elkander dient. Verbreek het werk Gods in de gemeenschap der heiligen, in den vrede en de blijdschap der broederlijke liefde, verbreek dit werk Gods nier om der spijze wil. Alle dingen zijn wel rein; maar het is kwaad den mensch, die met aanstoot eet, d.i. die hierdoor anderen of zichzelf een oorzaak van struikeling is. Het is goed, geen vleesch te eten noch wijn te drinken, noch iets waaraan uw broeder zich stoot, zoodat het hem tot een val kan worden, of waarin hij zwak is. Hoe goed vleesch en wijn, die edele gaven Gods u ook zijn, indien ze nimmer meer over uw lippen komen, wijl gij hierin een offer der liefde brengt om des Heeren wil, zoo zou dit goed zijn.

Hebt gij geloof, klaarheid en vrijheid van overtuiging, zoodat gij in spijs en drank en zooveel meer in volle vrijheid en blijheid God moogt dienen naar Zijn woord, heb dat bij uzelf voor God; het is het uwe, een ander kan er niet bij leven, maar gij moogt er bij leven voor God; juist daarom ook zijt gij dan vrij tot verloochening van uzelf. Zalig is hij, die zichzelf niet oordeelt in hetgeen hij voor goed houdt, die in deze vrijheid niet tegen de liefde handelt en daardoor zichzelf zou moeten veroordeelen. Maar wie twijfelt, indien hij eet, is veroordeeld, omdat hij niet uit het geloof eet; hij is in zijn eten zelf veroordeeld, wijl zijn consciëntie niet spreekt, dat hij uit het geloof handelt, dat hij zoo handelt om Gods wil. En al wat uit het geloof niet is, dat is zonde.

Hierop komt het daarom bij doen en bij laten aan, dat de geloovigen handelen, uit het geloof, bij het licht van des Heeren Woord, in geloovige overgegevenheid aan Hem, met het oog op de schatten van het Koninkrijk Gods, en tot onderlingen vrede en opbouwing in de liefde.

En dit geldt vanzelf niet enkel in de onderscheiding van spijzen en feestdagen, maar ook in heel het leven van de gemeenschap der heiligen door alle eeuwen der Christelijke Kerk. Zoo het Woord des

Sluiten