Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bestaat slechts één recht: het „recht" van den sterkste. Voor al wat leeft is er slechts één wijsheid: geniet zoolang gij kunt genieten en doe dat op de verstandigste manier.

En zeker is het dan niet verstandig zich in te laten met werk aan de toekomst van volk of menschheid, tenzij men eerzuchtig is aangelegd of een ijdele bevrediging vindt in het uitoefenen van macht. Zulke dwazen moet men hun gang laten gaan, zoolang zij niet schadelijk of gevaarlijk worden voor het geheel. Zoo spreekt de wereld.

In die wereldsche wijsheid klinkt echter een waarheid door, die elders vaak gekneveld en tot zwijgen gedoemd wordt. Het is n.1. dezelfde vrees voor het Niet, die wij vroeger hebben ontmoet. Evenals het verlangen der religie in afgoderij wordt gevangen gehouden, omdat men de finale teleurstelling niet aandurft, zoo gaat het ook hier. Om het geluk der menschheid is het te doen. Wat men wil, is het werkelijke geluk, niet alleen maar bevrediging van allerlei meer of minder verfijnde begeerten. Maar wat men niet aandurft, is de erkenning, dat de mensch ook in een volmaakte wereld — zonder oorlog, zonder sociale ongerechtigheid, zonder werkeloosheid of overmatigen arbeid, zonder problemen van ras of begaafdheid — niet gelukkig zou zijn. Voor zijn geluk is méér noodig dan dit alles. Hij moet vatten kunnen waarvóór hij werkt, waarvoor hij leeft. Hij kan zelfs daarbij niet rusten en gelukkig zijn: het geheel, waaruit hij voortkwam en waarin al zijn leven en streven opgenomen is, moet als geheel niet zinneloos zijn, maar ergens voor dienen.

En op die vraag kan de wereld geen antwoord geven. Natuur en geest blijven stom op de vraag, waartoe zij dienen. Het denken heeft geen eigen zin en het gebeuren heeft geen eigen zin. Er is in al wat er in de wereld gegeven is, geen antwoord op die allesbeslissende vraag. Eén wonderlijk feit echter ligt als gegeven, als niet-door-ons-gemaakt, óók voor ons: dat is het feit, dat de mensch die vraag stelt en niet laten kan haar te stellen!

Wat de wereld, volgens Paulus mist, is inzicht in den zin van haar bestaan. Doordat zij den moed mist om die vraag te stellen en zich afleidt met grootsche plannen en acties, overstemt zij met het rumoer over allerhande voorloopige idealen een ieder, die het groote raadsel ziet.

Sluiten