Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en alle ,macht' en ,kracht' . . . .". Die woorden bezigt Paulus n.1. om daarmede aan te duiden die hemelwezens in de lagere sferen, waarvan b.v. ook het boek Daniël spreekt — gezwegen nog van Henoch en andere apocalyptische geschriften, die de oude Christenheid las —, aan welke hemelmachten men algemeen grooten invloed in het ondermaansche toeschreef, b.v. misgewas, droogte, rooftochten, oorlogen, veepest, epidemieën, enz.

Het is, m.i. een volstrekte miskenning van Paulus' gedachtenwereld, wanneer men in de woordjes ,,alles in allen" mystiek gaat leggen. Ten eerste heeft Paulus er zoo weinig het toppunt zijner gedachten in gezien, dat hij niet de moeite heeft genomen zich zóó uit te drukken, dat wij met zekerheid weten kunnen, of hij wilde zeggen „in alle dingen" of „in alle wezens". Dat konden zijn eerste lezers al evenmin uit de woorden afleiden. Maar zij konden zich niet vergissen, omdat zij wisten, dat een onpersoonlijke „godheid" en een verdamping van alle persoonlijke elementen — Christus niet uitgezonderd — in dezen „goddelijken" nevel een heidensche voorstelling was, radicaal in strijd met Paulus' boodschap en met heel het wezen van den apostel. Paulus spreekt in I Cor. 15 van de ideale wereld, zooals die wezen moet na de eschatologische overwinning van de ingeslopen ongehoorzaamheid en ononderworpenheid en na de opheffing van het gemis aan „heerlijkheid", dat daarmee naar Gods bestel saamging. Wij laten nu Paulus' eschatologische gedachten en voorstellingen verder rusten. Maar dit is wel gebleken, dat de vraag naar de betrekking tusschen God en den kosmos voor Paulus fundamenteel is.

Godsdienst is voor hem niet een zaak van God-en-de-ziel, een individualistisch mysticiseeren, een particuliere aangelegenheid van den enkeling.

Beide, èn God èn de ziel, staan in een relatie tot de „wereld".

En die relatie is niet maar een van denken, maar een van gebeuren.

In den tijd, aan „den beginne" treedt God als Opperste Wil scheppend op. In den tijd, door de historie, blijft God als Opperste Wil regeeren. In den tijd, door middel van bepaalde historische personen, heeft God als Opperste Wil openbaringen gegeven omtrent Zijne plannen. Daarbij heeft Hij eischen gesteld aan onze gehoorzaamheid en ons geloof in Zijne bedoelingen. In den tijd is de Christus als mensch verschenen en in „het laatste der dagen" triomfeert Hij zichtbaar.

Suprahistorisch is deze „beschouwing" van de „wereld", omdat zij

Sluiten