Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

komt Paulus' bedoeling misschien niet zoo dadelijk door: wat hij zegt, is, dat zelfs het feit, dat hij nog met eigen oogen Jezus als mensch heeft aanschouwd, hem niet tot „leider" maakt en evenmin iemand anders, wien ook! Niet de herinnering aan Christus, maar de levende Heer zelf is de „overste leidsman en voleinder des geloofs" — zooals een, die wellicht een leerling van Paulus geweest is, het in Hebr. 12, 2 uitdrukt. „De oude eerwaardige dingen zijn voorbij, wij staan — dat ziet gij zelf— midden in nieuwe, die er nu zijn". Want, zegt Paulus, „als iemand in Christus is, dan is hij iets nieuws, dat God gemaakt heeft".

Zulk een radicale vernieuwing kunnen wij ons alleen indenken als wij ons voorstellen wat de verandering moet zijn, die in heel onze „wereld" plaatsgrijpt, wanneer wij ons aardsche lichaam hebben verlaten. Dan zijn natuurlijk op eenmaal alle aardsche problemen en theorieën, religieuze en quasi-religieuze, radicaal „voorbij". Dat beeld van den dood gebruikt Paulus dan ook telkens. Hij bezigt daarbij geen uitroepteekens. Ook op deze plaats weer, in II Cor. II, 17. begint hij als hij daar op komt, zonder eenigen ophef. Naar de beteekenis van het Grieksche woordje, dat de zaak inleidt, kwam hij nl. met iets, dat zijn lezers ook al lang in het oog hadden en goed verstonden. Hij weet, dat hij begrepen wordt als bij van dat totaal „nieuwe" spreekt.

Uw eigenlijk ik, zegt hij in Rom. 8, 9 w., wortelt niet langer in de aardsche sfeer, maar in die der inspiratie: „gijlieden zijt niet meer in het vleesch, maar in den Geest". Dat is het beslissende: als dat niet zoo is, hoort men er niet bij: „zoo iemand den Geest van Christus niet heeft, die komt hem niet toe".

Christus is in u: als dat zoo is, dan heeft al het aardsche, dat aan u is, met al zijn organischen samenhang in het ééne groote lichaam der menschheid, geen beslissende beteekenis meer. Het is daartegenover machteloos, zooals een lijk machteloos is. Want dat alles is één „lichaam der hamartia, der mislukking". Daarvan is ons aardsche lichaam een deel. Maar als dat andere, dat niet uit de aardsche sfeer is, „in u woont, zoo zal Hij, die Christus uit de dooden opgewekt heeft, ook uwe sterfelijke lichamen levend maken . . . .". Dat inspireerende, dat „pneuma" —van het werkwoord „pnéo", d.w.z. blazen, waaien, ademhalen — komt van God en zal in de nieuwe werkelijkheid ook een nieuwe lichamelijkheid om u heen scheppen. En dat lichaam is niet sterfelijk, maar werkelijk „levend".

Paulus zegt dan ook ronduit, dat dit het groote verschil is tusschen

Sluiten