Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bepaalde handelwijze en men handelt zoo, dat dit goede, dat gekozen werd, daardoor naar redelijk inzicht bevorderd zal worden. Ondertusschen blijkt het, na korter of langer tijd, dat men bezig is dingen te doen, die men had verworpen.

En nu spreekt Paulus daar niet van met een zekeren humor, die zich er bij neerlegt, dat het leven nu eenmaal zoo gecompliceerd is, dat men zich daar niet tegen voorzien kan. Neen, juist dit verschijnsel brengt hem tot een oordeel over den mensch en over het leven. Samen behooren zij tot één sfeer. En die sfeer deugt niet, omdat zij zulke verschijnsdlen voortbrengt. „Ik vind dus", zegt hij in vs. 21, „deze wet" — en dat is •dus een wet, een regel van het wezen van die aardsche sfeer — „dat, als ik het goede kiezende ben, het kwade onder mijn hand ligt".

Paulus staat dus wel héél ver af van ons individualistische denken: hij ziet het probleem van het zedelijk handelen niet geïsoleerdl Het is voor hem heel wat meer dan een quaestie van persoonlijk welbevinden als gevolg van de goedkeuring van het geweten of van persoonlijk besef van vernedering en schuld tengevolge van het omgekeerde. Hij ziet zichzelf — en hij wil, dat zijn hoorders zichzelve zouden zien — als levende in den grooten, raadselachtigen samenhang van het lichaam der menschheid. Onze daden zijn nog iets meer dan uitingen van onzen wil! Zij reiken verder terug in ons innerlijk, maar ook verder naar buiten in hun gevolgen. En naar beide kanten richt het zedelijk oordeel zijn blik.

Dat heeft Paulus scherp gezien.

Zijn conclusie is dan, dat als dus een mensch tot stand brengt wat hij niet kiest, n.1. het kwade, er een zondemacht bestaat, die dat tot stand brengt. En die macht „woont in hem".

Het conflict tusschen de twee sferen is hier dus iets, dat buiten het individueele uitreikt. Het is, naar Paulus' geloofsvizie, een conflict tusschen Christus en de vijandelijke sfeer. Als menschen het goede als schijnbaar direct gevolg van hun kiezen en handelen zien te voorschijn komen, komt dat tot stand door de macht van Christus, die om ons en in ons haar werkingssfeer heeft. Het probleem, dat wij echter zoo vaak het kwade tot stand brengen tengevolge van een wet van de andere sfeer, knelt dus juist op dit punt: hoe is het mogelijk, dat, terwijl een mensch „in Christus" leven kan, toch dit verschijnsel zich bij zijn daden kan vertoonen?

Dat is de eigenlijke vraag. Aan psychologische of persoonlijke zede-

Sluiten