Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eischt, wordt Rom. 7, 24 dus: „ik ellendig mensch wie zal mijverlossen uit het geheel, dat dezen dood in zich heeft? Gode zij dank! (Dit geschiedt) door toedoen van Jezus Christus onzen Heer!"

Daarom is er geen doodsoordeel voor hen, die in Christus Jezus zijn. Want het is een feit, dat de Geest in en door hen dingen doet, die reeds hier blijken niet te vallen onder de wet der mislukking. Het laatste feit, dat eenmaal het eenige feit zal blijven, is het bestaan van die ,wet des Geestes, die mij nu reeds heeft losgemaakt uit den dwang van dien anderen samenhang. Het leven van den mensch „m Christus is dus: niet in den weg te staan, aan Christus het initiatief te laten. Paulus wordt daarom niet moede erop te wijzen, dat dit „geloof" het is, waar het om gaat.

Het leven van den „nieuwen mensch is radicaal anders dan dat van hen die in zake deze twee „sferen" nog in het donker verkeeren. Zij meenen, dat het om „werken der Wet" gaat, d.w.z. zij denken, dat men zich inspannen moet om het geschreven gebod juist te verstaan en, daarna, met nieuwe inspanning zich erop toeleggen moet om het op de juiste wijze om te zetten in levenspractijk. Wat Paulus had ingezien en heeft voorgestaan was een hervorming van deze geheele wijze van denken en van alle onderstellingen, die daarachter hadden gelegen.

Dat staat ongetwijfeld vlak bij hetgeen Jezus Christus zelf in de spreuken en gelijkenissen van het evangelie heeft neergelegd.

Bekeering is het evangelische woord voor het ingrijpen van die eerste sfeer in het machtsgebied van de andere. En bekeering is het ook wat Paulus in Rom. 12, 2. 3 aldus onder woorden brengt: „wordt dezer wereld niet gelijkvormig, maar wordt veranderd door de vernieuwing van uw denken tot het toetsen — dat gij doet — van wat de wil Gods is, die goed is en welbehagelijk en volmaakt".

Door dat ingrijpen van den Geest ondergaat dus het denken van den „nieuwen mensch" een vernieuwing. In plaats van de logica der schriftgeleerdheid, die uit geboden en verboden een „moraal" opbouwt en met wetenschappelijke middelen beredeneert wat dan, strikt genomen, „Gods wil" zal moeten geacht worden, komt een intuïtief denken, een "toetsen", d.w.z. een keuren, aanvoelen of tasten van wat God thans, op dit oogenblik en persoonlijk van mij eischt.

Sluiten