Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

XXII

De eenzaamheid van Paulus

Een man als Paulus, die aan alle kanten betrokken was in een wereldwijd werk, is evenmin eenzaam geweest als b.v. de stichter van het Heilsleger. Een man, die met zoo diepgaanden invloed als schepper van orde in het rijk des geestes is opgetreden, kan niet eenzaam gebleven zijn. Zijn brieven zelf getuigen al dadelijk van het tegendeel.

Als men b.v. de moeite neemt om na te gaan, hoeveel menschen Paulus in zijn brieven met name en opzettelijk noemt, komt men tot een getal van drie en zeventig. Onder die drie en zeventig zijn er vijftien vrouwen. Nu bezitten wij van Paulus' correspondentie niet eens dat deel, dat het meest aanleiding moet hebben gegeven tot het vermelden van namen. Immers van zijn meer particuliere brieven is alleen die aan Philemon bewaard. En hoezeer doet de tact en fijngevoeligheid van dat briefje ons niet betreuren, dat wij Paulus niet uit meer zulke geschriften kunnen leeren kennen.

Het is dus zeker, dat Paulus veel meer menschen min of meer intiem gekend heeft dan die drie en zeventig, wier namen wij nu nog in ons N. T. vinden. In alle groote steden van dat deel der Grieksch sprekende wereld, dat hij heeft bereisd, moet hij wel een huis geweten hebben, en dikwijls meer dan één, waar hij vrienden had wonen, die hem met open armen wilden ontvangen.

Daar was in Jeruzalem het huis waar de moeder van Johannes Marcus, den schrijver van ons Marcus-evangelie, woonde. Die Marcus was een neef van Barnabas, Paulus' ouden vriend. Hij heeft met Petrus gereisd als diens drogman, maar ook Paulus heeft hem in later dagen als helper zeer gewaardeerd. Van dat huis, waarin Maria, Marcus' moeder, woonde en dat een middelpunt was in den Jeruzalemschen kring, weten wij uit Hand. 12, 12 w.

Hoe welkom zal Paulus ook niet geweest zijn bij Loïs, de grootmoeder, en Eunice, de moeder van Timotheüs! En is misschien Lydia te Philippi niet de „oprechte metgezel", op wier flinkheid en tact Paulus een beroep doet om Euodia en Syntyche te helpen, die „niet eensgezind

Sluiten