Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Paulus, de leerling van den jurist Gamaliël, is intellectueel wel zijn meerdere geweest. Dat is echter niet zoo belangrijk. Er zullen n.1. in iedere generatie der menschheid niet vele geesten zijn, die dezen leeraar der menschheid niet als hun meerdere moeten erkennen. Geestelijk hervormer is hij tot op heden toe ook niet door deze scherpte van geest. Integendeel, hij zelfheeft het eenig juiste en treffende woord daarvoor gevonden (II Cor. 4, 7): „Maar wij hebben dezen schat in aarden vaten; opdat de uitnemendheid der kracht van God zij en niet uit ons."

Het religieuze individualisme zal Paulus moeilijk verstaan. Het spreekt niet van „wij", maar van „ik". En dat ik wil zijn „parel van groote waarde" of zijn „schat in den akker" zelf bewaren. Het wil zelf zijn rijkdom uitdeelen in eigen uitnemendheid van kracht. Het meent zelfs, dat die eigenwillige ijver is het „gegrepen zijn door Christus", waar Paulus van getuigt. Dan worden echter Paulus' woorden „zwaar om te verstaan".

De geschiedenis bevestigt dat! Klein-Azië, waar in Efeze een deel van Paulus' levenswerk lag, noemt later niet Paulus, maar Johannes als zijn apostel. Volgens den Hen Brief aan Timotheüs is het nog bij Paulus' leven zoover gekomen, dat juist in Klein-Azië allen hem den rug hadden toegekeerd.

De oudste Christelijke letterkunde als geheel heeft Paulus zelfs vergeten. De enkelen, die zich zijner herinneren, bedienen zich van zijn woorden voor doeleinden, die niet de zijne waren. Augustinus, de eerste groote geest, die, als hij in Paulus' dagen had geleefd, hem de hand had kunnen reiken, ziet Paulus toch nog in een verkort perspectief. Augustinus is het echter geweest, die Europa weder tot Paulus heeft gebracht, zij het dan na duizend jaren. Zoo gaat het — al zijn de begeleidende omstandigheden anders — heden nog. Geen Neoplatonisme schuift zich meer tusschen Paulus en ons, maar Neohegelianisme, Neokantianisme, of andere „-ismen". Maar wij moeten Paulus zelf laten spreken: de gedachten, die hij als gave voelde, waren hem gegeven als een taak! Hij moest — „de nood is mij opgelegd" zegt hij in I Cor. 9, 16 — die gedachten omzetten in practijk. „Wee mij, indien ik het evangelie niet verkondig": zóó zag Paulus het hervormend inzicht, dat hem gegeven was!

In den beginne streed hij daarvoor — met heftigheid: „ik heb Petrus „in het aangezicht wederstaan, omdat hij te berispen was". Later werd dat anders, maar Paulus' diepgaand inzicht bleef hem tot verzet

Sluiten