Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gaan; dan kan de ander dat als een gemeene zet in de polemiek beschouwen en mokkend antwoorden: mij goed, maar dan wil ik ook nooit en nooit meer iets van je weten. Zeker, dat is niet logisch geredeneerd, maar in verhoudingen van spanning en wrijving wordt er heel zelden logisch geredeneerd. De vijandschap wil niet logisch redeneeren. Zij wil haar object in het ongelijk stellen.

Waarom zou men den Zionisten niet een verwijt ervan kunnen maken, dat zij met het Joodsche lot ontevreden zijn? Ligt er niet het beklag in opgesloten, dat men de Joden onrechtvaardig behandelt? Behoeft men zich zulk een verwijt te laten welgevallen? Willen de Zionisten in Palestina gaan wonen, dan moeten zij dat zelf weten; maar dan hebben zij ook geen aanspraak meer, om als volwaardige Nederlanders te worden behandeld. Of als zoodanig niet-Zionistische Joden wel worden beschouwd en behandeld (de facto althans) is een tweede kwestie; maar wie met den toestand, zooals hij is, geen genoegen neemt en een anderen kant uitkijkt, die moet maar zien, dat hij het beter krijgt, maar wij willen dan ook niets meer met hem te maken hebben. Hier kan hij hoogstens als gast worden geduld.

Zoo kan men zich dus ook heel goed eens tegen de Zionisten keeren, als dat om eenigerlei reden beter convenieert dan front te maken tegen de assimilanten.

Alleen in het voorbijgaan zij er aan herinnerd, welk een merkwaardige verandering in dit verband het gastbegrip steeds ondergaat. Normalerwijze is de gast degene, die met bijzondere onderscheiding wordt behandeld, wiens wenschen men op alle mogelijke wijze tracht te vervullen, wien men het zoo aangenaam mogelijk maakt, die een bevoorrechte positie inneemt. In het Joodsche geval denkt men alleen aan de rechteloosheid van den gast.

Belangrijker is het, eens na te gaan, hoe objectief de verhouding moet worden gezien van den Zionist tot het land, waarin hij geboren is, tot het volk temidden waarvan hij leeft, en tot den staat, welks burger hij is. Op de houding, die men te zijnen opzichte inneemt, heeft hij ten slotte even weinig invloed als de Jood in het algemeen; hij moet haar aanvaarden, hoe die ook zij. Maar het is goed, in ieder geval de feitelijke positie duidelijk te maken.

Sluiten