Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In het jaarverslag over 1931 van het R.O.G. te Avereest heet het:

„Van de 104 verpleegden, die vertrokken, kunnen er 31 of 29.8 % geacht worden gelijk te staan met leerlingen van de lagere school, die alle klassen hebben doorloopen. Betreffende de kwaliteiten der bij de nijverheidsvakken ingedeelde leerlingen kan, vergeleken bij die van vorige jaren, weinig verandering worden geconstateerd. Wegens opheffing van enkele eertijds onderwezen vakken was de vakkeuze beperkt. De onvoldoende schoolontwikkeling (in doorsnee die van het 3e leerjaar van de lagere school), de te ver gevorderde leeftijd, het op 12 of meer tijdstippen per jaar binnenkomen, waren niet bevorderlijk aan het regelmatig klassikaal onderricht en de daaraan evenredige vorderingen. De kwestie van de vakopleiding zal in de opvoedingsgestichten wel een moeilijke blijven, zoolang al de vorengenoemde omstandigheden hun nadeeligen invloed blijven doen gelden."

In het verslag over 1931 van Amersfoort vindt men:

,,'t Verschijnsel, dat op iedere werkplaats zich jongens bevinden, daar geplaatst naar eigen keuze, maar niet in staat het vakonderwijs met vrucht te volgen en uit wie nimmer een volle, zelfs niet een middelmatige vakman groeien kan, 't ontbrak ook dit jaar niet".

Het morele gehalte komt tot uiting in de uitoefening der tucht.

Als disciplinaire straf werd te Amersfoort uitsluitend cachot zonder verscherpingen toegepast: 138 maal in 1929, 162 maal in 1930, 304 maal in 1931. Ontvluchtingen kwamen in deze jaren niet voor.

Wat de voeding betreft: de directeur schrijft in zijn verslag over 1929:

„Onze gestichtsvoeding, met haar voorgeschreven menu's, verschillend alleen voor winter en zomer, met haar bepaalde hoeveelheden, is eenvoudig degelijk, van alle luxe gespeend, wellicht wat de keuze van sommige spijzen betreft wat uit den tijd, maar zonder twijfel eentonig. Daarom liet ik den kok niet de dag-, maar de weekrantsoenen uitgeven, sommige maaltijden in tweeën, zelfs in drieën deelen. En daardoor — 't eischte alleen heel wat meer werk — kregen de jongens een paar maal per week een bordje soep vooraf, 'n toetje uit rijst of grutjes bestaande na. Aardappelen krijgen onze jongens nooit genoeg en datzelfde geldt eigenlijk het grootste deel van het jaar van het brood, terwijl de meesten capucijners b.v. met uitgebakken spek moesten leeren eten. En daarbij maakte een gesneden uitje, een zure augurk, grage monden. Meer dan één groep kreeg als voorrecht een gascomfoortje, waarop 's Zondags na de stevige middagwandeling of op verjaardagen huiselijk een kopje thee, uit eigen middelen betaald, werd gezet".

Sluiten