Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zo zou de Commissie ook de mogelijkheid willen bepleiten van benoeming van Opvoedende Ambtenaren tot Directielid en van voorrang bij de benoeming voor functies van Ambtenaar voor de Kinderwetten, Rijksagent voor voorwaardelijk ontslag en dergelijke.

Op deze wijze wordt bereikt, dat aan de Rjjks-Opvoedingsgestichten mensen zullen werken die zich interesseren enbhjven interesseren voor de hun toevertrouwde jongens en voor hun arbeid, ook bezien in verband tot de gehele maatschappelijke arbeid, die zullen leven op een hooggesteld levensplan, die ook anderen een levensdoel zullen meegeven. Opvoeders, die zich bewust zijn, dat zij aan de verpleegden, wat men in de gestichten noemt „een bestaansopvoeding" hebben te geven, d.w.z. een opvoeding, welke de jongens tot mensen maakt, die op nuttige wijze in hun levensonderhoud kunnen voorzien en moreel en materiëel een zelfstandig leven kunnen leiden.

Is de aard van het werk veranderd?

De Commissie heeft zich ook beziggehouden met de vraag, of de aürd van het opvoedingswerk sedert de reorganisatie van 1 Januari 1933 is veranderd.

Met betrekking tot deze reorganisatie is van Regeringswege aangevoerd, dat met mindere vakkennis der ambtenaren zou kunnen worden volstaan.

De Commissie meent te mogen vaststellen, dat deze opvatting geen steun vindt in de practijk". Voor zover het de afdeling Landbouw en trouwens ook andere vakken betreft, zou men zelfs van zwaardere eisen kunnen spreken.

Bij de reorganisatie is de groep gereïntregeerden opgeheven. (Hier zou gesproken kunnen worden van desorganisatie). Gevolg ervan is, dat de jongens die in de groepen der min-geoefenden verblijven en het tot „geoefend" hebben gebracht, de hun toekomende plaatsen bij de geoefenden zien ingenomen door uit de maatschappij teruggekomen knapen, wat natuurlijk slechte gevolgen heeft en tegelijk hogere eisen aan den opvoeder stelt.

De aard van het werk is dan ook niet veranderd en de lijn, die voorheen werd gevolgd, geldt nog steeds als richtsnoer.

Tegenover de stelling, „dat het wellicht beter ware geweest het z.g. nieuwe werk met nieuwe mensen te beginnen", moge als practisch argument worden geplaatst, dat de leiding het waardeert dat de ambtenaren, die in dienst zijn gebleven, de gedragslijn, welke vóór de reorganisatie gold, blijven handhaven.

Deze ambtenaren kunnen ook niet anders handelen dan zij steeds hebben gedaan. Zij weten, dat indien de gevolgde lijn zou worden verlaten het opvoedingswerk op lager plan zou komen te staan en dat dus vastgesteld mag worden, dat het Rijks-Opvoedingswezen van hun blijven voordelen trekt.

Geldt dit voor het werk der Opvoedende ambtenaren (thans beambten in algemene dienst of werkmeesters), in niet mindere mate

Sluiten