Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hij is op alles gevat en geestig weet hij zijn tegenstanders met een

[enkel woord

Te verslaan, als hij meent, dat dat noodig is en zoo behoort. Kwetsen doet bij evenwel niemand, liever verwekt hij een gullen

[lach,

En voor zijn flinkheid in optreden heeft men ontzag. Wie is het, die als hij in onze Vereeniging een plaats inneemt? Aan vriend Nooter dan ook onze dank, onze hulde, zoo oprecht

[gemeend.

Rwk. J. G.

DE DEBETZIJDE

„Kan het zijn, dat een lier, die sinds lang niet meer ruischte, Die sinds lang tot geen harten in dichtmuziek sprak, Daar op eens van verrukking en hemelrust bruiste, En in stroomende galmen het stilzwijgen brak?"

„Neen, een mensch mag zijn lente geen tweedemaal smaken,

En bovendien, dat gegalm en gebruis zullen de collega's die Volkschool en Bode bijhouden wel zoo zachtjes aan beu zijn. Ik wil daarom niet galmen, maar een heel nuchter opmerkinkje hier maken en wel dit dat we aan den heer Nooter goedbeschouwd, toch eigenlijk een strop hebben. We zitten daar midden in een strijd tegen een der onmogelijkste democratische uitwassen: het anaenniteitsstelsel en in ons midden, of neen, heel vooraan, hebben we iemand, die er het meest schitterende propagandamateriaal voor vormt. Is het een strop of niet?

Je kunt praten wat je wil, met klem van redenen betoogen, desnoods bewijzen, dat al die aftandsche heeren ons heele onderwijsstelsel tot een sokkenboel zullen maken, je zit dadelijk vast bij de opmerking: „En Nooter dan?" Daar heb je niet van terug. Hij is op zijn zeventigste te goed, om hem voor twee van vijf en dertig in te wisselen. Het is eenvoudig zoo.

„Hij is een uitzondering!" Ja, maar zijn alle Bondsschreeuwers soms geen uitzonderingen op de normale mensch?

Neen, we moeten het aanvaarden. Hij is een reclame voor het

Sluiten