Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

al keurde), dan vóór onstuimigen en scheppend-denkenden Balzac met zijn electromagnetisch-geladen artistengeest? Laat hij Balzac eens in de oogen kijken. Heeft hij die vermetele oogen gekend, waarvan Gautier in zijn „Honoré de Balzac" p. 9 zegt:

„Quant aux yeux il n'en exista jamais de pareils". twee fonkel-zwarte diamanten, van goudreflexen doorschitterd en een blik die door muren en harten heensneed; oogen om dieren te bezweren; oogen van een heerscher, van een beestentemmer? Voor dié oogen, met hun zengenden gloed, moest men zwatelenden Bemy ter verantwoording roepen.

Gourmont, die in zijn ziekebjke sexuabteit alles naar het cerebrale dringt, die loom en lui, byzantijnsche uitspattingen phantaseert, geniet én van de verdorvenheid én van de teederheid. Onder den rook van zijn eeuwige cigaret ontrolt zich voor dezen nicotine-inzuiger het biologisch panorama der menschehjke en dierbjke hefde. (Nog veel perverser Verbeelding onthult dokter Voivenel van zijn cbënt-patient). Zoo wordt Gourmont albcht gehinderd door de abnenschebjke gezindheid van den machtigen Balzac, den ontzachbjk-dramatischen ziener, wiens heel scheppingsleven uit psychische daden bestaat en van wien, al beeldde hij menschehjke beestebjkheid van instincten, toch kon getuigd worden:

„Nous 1'avons dit, sa sympathie va aux humbles; sa curiosité vise la force brutale, le parvinisme, 1'arrivisme, 1'éternelle oppréssion du faible par le fort, la force de 1'instinct et de 1'humanité animale";

Maar tot slot:

„son admiration va aux êtres supérieurs". „La genese et le plan des caractères dans 1'oeuvre de Balzac", door Hélène Altszyler, p. 237—238.

Sluiten