Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VI

Onbetamelijke Bredero sprak moers-taal, vaak wreed, striusck, ruw en verbijsterend van klank; de taal van IJ en Amstel. Ook garstig-zinhjke Boemer Visscker, de sensueele binnenin-lacker; en ook statig-edele en kumanistiscke ridder Hooft. Vóór Bredero eisckten Jan van Hout, en later Coornkert, Spiegkel en Boemer in de Oude Kamer, de zuivere „moers-taal" op1). Vrijgeest Coornkert, in de eerste plaats, vockt fel voor den opbouw des spraacks". De leden der Eglantier besckouwden ket tot kun „ambt te zijn ket Duyts op te keipen te vercieren en te verrijken". Ook Dr. Samuel Coster, in wien van ouders-oorsprong, Geuzengram wrokte, kielp ket Nederlandsck op, als een „cieraet". Deze geneeskeer voelde en begreep de beeldend-spontane en betooverende mackt der volkstaal innig. Van potkuismanneke en van vedelaar op de Plaetse. Als gevangenisdokter zal kij wel veel karakteristiek jargon verwerkt kebben. Maar naast Bredero is Coster en zijn alle andere taalvernieuwers, ook Gerbrand's kartevriend Starter, min of meer knutselende dilettant-typeerders; later zelfs botzinnige navolgers, al kreten ze Wükelmus van Nassauwe mee. Bredero oversekittert al zijn tijdgenooten. Zijn woord zwelt en trüt van levenskrackt en zijn kumor is, in eigene ziel overgesckapen spot-geest van ket volk van stad en land. Hoe gist ket groot-mensckekjke en romantisck-reakstiscke in Bredero's smijdige en spkerisckekunst. Welkckt vermomt kij ziek als „amorousekke pagie" ket kefst wanneer zijn kart kuilt. Ook kij ondergaat invloed van classicisme, Bedenjkerskamers en Muiderkring. Doek koe keerkjk kekelt onbesuisde Bredero blazerige sinjoren, kol-zwierige pronkertjes en veckters met „ijzeren" kolders van ge-

H Fruin greep dieper in Spieghel dan in Roemer.

Sluiten