Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

stormt, — al keek Vaandrig Gerbrand door smaller kruisvensters dan de Drost, naar timmerwerven, kjnbanen en kerbergen en naar den gekeimzinnigen sckaduwen-groei bij avondval, rond den Sckreyerskoek. Ook Bredero draagt den zwierigen, breedgeranden pluimkoed fier, al stotterde kij bij ket uitspreken van Petrarca's naam gekke woordekens en al ontbeert kij Venetiaanscke avonturen! Bij bier in backen en bier in fluyten en kroezen, bij bier en spek verzint kij ze. . .

Bredero stond niet, als Coster, met zijn eenen voet in „Eglantier", met den andere in de „Academie". Zijn psyckologisck gekozen devies ,,'t Kan verkeeren", drukt tegekjk zijn keele innerkjk-ongedurige wezen uit. Alles verandert telkens in Bredero's woekge, brandende ziel. Zijn rkytmus is van een wisselende woestkeid. Met ijzeren ridderkarnas om de lendenen (zijn vader, de sckoenmaker, Officier der kandboogsckutterij, stond immers ook „in 't ijzer"), zwaait kij quasi lucktig rond de jokge taveernmeiskes, terwijl ket „veeltje" dun-beverig opklinkt. O, kij is een wispelturige gildebroeder, deze kumorrijke Benaissanist van stegen en sloppen, deze Homeros van Nes en vogelenmarkt, die bijwijlen bunkert naar ket keimwee-wekkende trompetgesckal van voorbijtrekkende gekarnaste ruiters, ackter de bemoste muren der veste.

XIII

Wat een ruw-roekeloos, maar verrukkekjk-onstuimig en ironisck Amsterdammer en wat een volbloed zeventiende-eeuwer is deze droeve vrookjkert, die onder de lantaarn-sckaduwen der stemmige Sint-Antkonispoorte met zijn keimekjke minnepijn en kevig kartzeer stibekens wegsluipt, wanneer de dompe boevenklok, na negen, pas

Sluiten