Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK II

Golder stak een cigaret aan, maar bij de eerste trek kreeg hij het benauwd en gooide haar weer weg. Een nerveuze, asthmatische hoest, rauw en piepend, schokte zijn schouders en bracht hem bitter vocht in de mond, dat hem benauwde. Het bloed golfde hem opeens naar het hoofd en bracht een blos op zijn gewoonlijk wit, mat en doodsch wit, wasbleek gezicht met blauwe zakken onder de oogleden. Hij was een bejaard man, over de zestig, kolossaal, vet en slap van leden, met waterkleurige, levendige, lichte oogen. Dik wit haar omlijstte het harde, geschonden, als met ruwe, zware hand geboetseerde gezicht.

De kamer rook naar tabak en er hing die geur van verdroogd roet, die des zomers aan lange tijd onbewoonde Parijsche vertrekken eigen is.

Golder liet zijn stoel draaien en zette het venster op een kier. Gedurende eenige oogenblikken bekeek hij de verlichte Eiffeltoren. Het roode, vloeiende licht stroomde als bloed langs de in de

Sluiten