Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gen onbedreven geest bouwde het verleden weer op in kleine, droge en korte herinneringsbeelden. Moskou, toen hij nog niets anders was dan een mager joodje, met rood haar en felle, lichte oogen, met gaten in zijn schoenen en platzak... Hij sliep in die donkere koude nachten van de vroege herfst op de banken der pleinen... Na vijftig jaar was het hem nu nog, of hij die doordringende vochtigheid van de eerste, dikke, witte nevels, die zich als aan het lichaam hechten en een soort van harde ij zei op de kleeren achter laten, in zijn botten voelde... En de sneeuwstormen in Maart, de wind...

En Chicago... de kleine bar, de gramofoon, die met een neusgeluid een oude Europeesche wals knarste, de gewaarwording van onverzadelijke honger, terwijl de geur van de warme keuken hem tegemoet sloeg. Hij sloot de oogen en zag buitengewoon duidelijk het zwarte glimmende gezicht van een dronken of zieke neger weer voor zich, die in een hoek op een bank aan de muur lag te schreien met klagelijk gehuil als van een nachtuil. En verder... Zijn handen brandden nu. Hij legde ze behoedzaam plat tegen de ruit, nam ze daarna weer weg, bewoog de vingers en wreef de palmen zacht tegen elkaar.

— Idioot, mompelde hij, alsof de doodehemhad kunnen hooren, idioot, waaromheb je dat gedaan?

Sluiten