Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

water vochtige en warrige haar. Hij scheen haar nauwelijks aan te kijken, maar zijn doordringende oogen namen de kleinste nuance in haar trekken, iedere lijn en iedere beweging van haar gezicht waar. Wat was zij groot geworden... In vier maanden tijd was zij nog mooier geworden, nog meer vrouw... Hij zag met wrevel, dat zij zich sterker poeierde. Goede hemel, dat was toch niet noodig, op haar achttiende jaar, met haar prachtige blonde huid, haar als een bloem zoo fijn gevormde lippen, die zij donker bloedrood verfde. Wat jammer! Hij zuchtte en bromde: „Dwaas..." Daarop mompelde hij:

— Je bent groot...

— En mooi, hoop ik? riep zij uit.

Zij kwam opeens overeind, ging zitten met de beenen onder zich gevouwen en de handen om de knieën geslagen: zij nam hem met haar groote, donkere, schitterende oogen op, met die heerschzuchtige, trotsche blik van sinds haar kinderjaren beminde en begeerde vrouw, welke hij verfoeide. Eigenaardig was het, dat zij ondanks dat alles, ondanks het poeder en de sieraden ook, toch die uitgelaten meisjeslach, die hoekige, te levendige, haast ruwe gebaren en die als gevleugelde, vurige en vlugge bevalligheid van de laatste kinderjaren had overgehouden. „Dat blijft niet," dacht hij.

Hij zeide:

Sluiten