Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De Griek bromde:

— Zoo, zoo... hij is niet meer helder... het begint... Wat duivel!... Voor wie heb ik dat opgedaan?...

Golder prevelde:

— Land... En dan:

— Wilt u mij hier alleen, als een hond, laten crepeeren? Beesten...

Daarop woorden, die niemand verstond.

— Is er geen dokter aan boord? vroeg de jongen. Maar de kapitein was al weg. De jongen kwam naar Golder toe, die vreemd jachtig lag te hijgen.

— Weest u maar kalm, zeide hij zacht. Wij zijn gauw in Constantinopel... Wij varen nu snel. De storm is bedaard... Kent u iemand in Constantinopel? Hebt u er familie? Of iemand anders?

— Wat? fluisterde Golder. Wat?

Toch scheen hij het eindelijk te begrijpen, maar hij herhaalde alleen:

— Wat? En zweeg daarop.

De jongen ging door met zenuwachtig te fluisteren :

— Constantinopel... Dat is een groote stad... En daar zal men goed voor u zorgen... Dan wordt u gauw beter... Weest u maar niet bang.

Sluiten