Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hun tijd vulden met aan mij te denken en, wanneer ze meenden, dat ik niet oplette, naar me te kijken. Het is zeldzaam, maar ik was de voortdurende en de gelukkig-stemmende werkverschaffer van hun denken. Ik was overigens 's avonds altijd thuis, terwijl mijn broer Simon, die 't bakkersvak leerde, werkte.

Ik legde m'n boek neer. „Ik moet jullie iets vertellen. Ik heb genoeg van 't studeeren. Ik wil koopman worden." Toen volgde er een stilte, als die aan een doodsbed. Ze zeiden niets. Maar m'n gezegde werkte als een vergif, dat me plotseling voor m'n oogen m'n ouders van blijde levende menschen deed zien verschrompelen tot sombere levenloozen, die door een of andere lichamelijke kracht nog op hun stoel konden blijven zitten. Ik hoorde geen woord van verwijt, maar na lange minuten klonk het huilerig stemmetje van m'n vader, dat hij rustig trachtte te houden: „Wat zal meneer Dacosta Senior daar wel van zeggen?" Ik, die nooit een grof woord sprak en aan ruwe woorden van kinds-af-aan een hekel had, voelde plotseling behoefte om ons fatsoenlijk kamertje met een: „daar heb ik . . . aan" te ontsieren. Maar ik kon het niet zeggen en sprak op die deftige, kantige manier, die me eigen was en die ik ook

Sluiten