Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

naar hem toe, en kijkt hem aan met milde oogen. Het veulen springt recht, en komt met vooruitgestoken kop naar hem toe. Hij stapt langs de woning van Sander, en langs de haag. De hond komt uit zijn hok gekropen, rekt zijn voorpooten ver uit, met neerliggenden kop, en steekt zijn koude snuit goedig tegen Peter Coene's hand. Hij streelt het dier een paar keeren over den rug, en gaat verder. Voot het houten hek van den moestuin staat hij stil, als kon hij niet verder meer. Hij steunt zijn elleboog op den paal, en blikt over het hof.

Vreemd is het hier, zooals de dag uit den nacht wordt geboren. In den tuin achter hem piept reeds een vogeltje. Boven den zwarten horizont spreidt het licht zich uit tegen den hemel, en zienderoog groeit het hooger tegen de lucht. En Peter Coene blikt naar de muren van zijn hoeve met een starren blik, en hij meent dat de daken lager gezakt zijn. Als versteend staan de boomen en de gevels te wachten op iets dat komen gaat, al de dingen staren hem vreemd en grijs aan, met hollen blik, vaal en oud. En weder hijgt Peter Coene met een diepen haal, dat zijn kleeren er van spannen rond zijn borst. Hij zou nu rustig aan iets willen doordenken, aan hij weet niet wat, maar de gedachten willen geen vorm aannemen, blijven strak en hard in zijn hersens vastzitten. Zijn blik gaat terug langs de gevels van de stallen en schuren langs waar hij tot hier gekomen is, en het lijkt hem een zeer lange weg.

Met langzamen stap gaat hij dwars over het hof terug naar de hoevekeuken. En weer kijkt hij naar rijn zonen, van den eene naar den andere, wezenloos, als verwonderd dat zij daar slapende zitten, en hij luistert even naar hun zwaren adem. Dan treedt hij op Fons toe, en steekt reeds de hand uit naar zijn schouder om hem te wekken. Maar hij houdt de uitgestoken hand in, blijft staan voor den slapende, en peinst. Hij keert zich om naar de tafel, en legt de hand op den schouder van Herman.

— « Herman... »

Sluiten