Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

terwijl hij over het hof stapte naar het houten hek van den groentetuin, en hij zag ook hoe Fiele van uit haar huis en Lauwerijns en Monne van in de schuurpoort hem met verslagen gezichten nablikten. Dan zag hij zijn vader stilstaan bij Sander die in den moestuin bezig was, en hij moest iets vragen, want Sander rechtte zich op, leunde met zijn twee handen op zijn spade en knikte langzaam. Hij ging met den boer mede tot aan het eind van den tuin. Herman voelde nu iets als een lichte wrevel omdat zijn vader met hem nog niet gesproken had.

Met de handen achter zich op den tafelrand geleund bleef hij staan nadenken. Wat ging er op de hoeve nu gebeuren ? Wat ging zijn vader doen nu er geen opvolger meer was ? Het kwam hem voor of door dat ongeluk hier nu alles stilgeslagen lag, of de dood niet alleen gevallen was op zijn broer, maar op alles, op het hart van de hoeve, of er niemand hier nog uitkomst kon vinden. En hij werd gewaar dat hij daar aan dacht precies of het hem zelf maar zeer weinig aanging.

De deur ging open en zijn vader stond voor hem. Hun blikken ontmoetten elkaar van dichtbij, een kort oogenblik slechts, dan keek de boer van hem weg. En met een schok, die hem huiveren deed, zag Herman dien harden, vreemden blik van zijn vader. Een oogenblik dacht hij dat het inbeelding van hem was, hij wilde iets zeggen om den onaangenamen indruk van zich af te zetten, maar hij wist niet wat. Die blik van zijn vader sloeg als een ijskoude hand op zijn hart, de woorden en het gevoel van deernis dat als een warme haard in hem was ontstaan, werden verstikt, en hij zweeg. En hij wist ook dat dit niet meer zou terug komen.

In den namiddag moest hij naar het dorp gaan om brieven te verzenden en om met den pastoor te spreken over de begrafenis. Toen hij terug thuis kwam was het lijk reeds gekist. Het stond in de huiskamer en daarnaast op een tafeltje brandden twee kaarsen met het kruisbeeld

Sluiten