is toegevoegd aan uw favorieten.

Het leven van Herman Coene

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maar het was zijn arme eenzame hart dat hij zocht, en dat hij niet vinden kon.

O ! de droeve doolaars in de groote wereld die zoeken naar het verloren Paradijs '.

Toen zag hij haar terug.

Hij stond in de hall van het operagebouw. Door de open deuren blikte hij over de hoofden heen naar buiten. Het regende. Hij zag het natte asfalt van het operaplein zwart glimmen in het licht. De schouwburgbezoekers haastten zich weg, auto"s hielden stil onder de colonnade, namen werden afgeroepen, portieren werden toegeklept.

Hij was nog onder den indruk van de Walkure, van de betooverende stem van Brünehilde, en de klagende muziek ruischte in hem na als van uit de verte der tijden.

Dan zag hij haar.

Zij kwam, rechts, de witte trap afgedaald, tusschen een oudere dame en een jongen heer. Zij droeg een mantel van rood fluweel met een kraag van bont, die hoog opstond, achter haar hoofd. Haar gezicht was mat, met een lichten rozen schijn over de wangen, en hare donkere oogen schitterden. En meer nog dan jaren geleden was het hem of er een glans van haar uitging over allen die haar omringden. Zoo goddelijk schoon had hij haar nooit gezien, zelfs niet in zijn verbeelding.

Zij moesten wachten voor het gedrang. Dan keerde zij het hoofd naar hem toe, en zij zagen elkaar in de oogen. Hij merkte de verrassing in haar blik en het rood op hare wangen. Zij zegde een paar woorden tot de dame naast haar, en kwam haastig op hem toe.

— i< Herman'. »

Daar lag in haar stem en in haar blik iets zoo onzeggelijk innigs iets dat in volle overgave op hem toekwam, dat de ontroering hem bijna belette te spreken. Hij fluisterde met witte lippen terug: « Elza! * en hield hare zachte vingers in de zijne.