Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

snapte dat allemaal gelijk wijwater, maar ik zag het spel beter in zijn gat. Ik had er heimelijk spik in zoo met half woordekens over mijn kapitaal te spreken, en Gustaf te doen gelooven dat ik wel tienduzend frank rijk was. En ik zei dan gemeenlijk: „Ja, Gustaf jong, ge kunt nooit weten wat er u later nog te wachten staat." Dan wist 'm niet waar dat 'm zijnen kop moest keeren van kontentement en hij liet me in geen een herberg betalen.

Een mensch vindt dikkels zijn ergste vijanden in zijn eigen familie. Naar de goesting van Gustaf en Rozelien leefden ik en mijn vrouw al veel te lang. Onder onzen neus was 't allemaal fijne fafoel, maar als we onzen rug gekeerd hadden staken ze hun tong uit. Of dachten ze dat we dat niet wisten ? Ik zal 't nooit vergeten: toen Jef Bandelier die op de Verkensmerkt woonde en een rijke potter was, aan zijn eind kwam, zei Miel, zijn zoon, die ge nu met Hoogweerdig een lanteereke ziet dragen in de processie: „Eindelijk, daar heb ik nu al paternosters genoeg voor gelezen." En dat zei 'm publiek in de herberg van Free van 't Spieke.

En hoe dat ik er dan toe gekomen ben om hun te schrijven? Wel, 't was tang-de-geir en ik zat nog met tien frank op mijn kot, en ik wilde niet aan mijn kapitaal gaan. En toen dacht ik in mijn eigen: ik zal die twee wizzewessen ginder te Brussel eens aan hunnen lever gaan tasten, ik zal hun halvelings doen gelooven dat ik op mijn leste beenen loop en dat mijn testament op hen gemaakt is, en ze zullen toebijten lijk een hond naar spek.

Ik schreef dus 'n brief. Ik droeg hem naar de groote post en ik kwam met een gerust hert naar huis omdat ik nu middel zag om uit de misère te geraken zonder aan mijn kapitaal te moeten gaan. Aan eenige menschen uit het gangske vertelde

Sluiten