Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

doorging naar de Wij waterstraat te Meulebeek, en hij bezag mijn blooten kop zoo affrontelijk justekens of dat 'm met een dief te doen had en toen zei 'm op zijn Brusselsch:

„Neen, ik weet het niet, maar zeg es, kletskop, hebt ge me geen pijp toebak?"

Dat zou ik niet hebben durven vragen aan iemand die ik nog nooit of sjamij gezien had en ik liet hem staan waar dat 'm stond, en ik vroeg een moment later den weg aan een politie-agent. Ik moest over een boelevard rechts tot aan de vaart en daar de brug over en dan maar aan iemand vragen. Ik trok vast langs de huizen om onder geen gerij te komen, maar ik was nog geen honderd meter wijd of daar zei ineens neven me zoo'n fleemstemmeke: „Bonswaar seri!"

Ik keek terzij en ik zag neven me een mammezelleke met een klein hoedje op en een grooten pels waar dat heur gezicht boven uitstak. Ik meende dat het een abuus was van dat kind en dat ze 't tegen een anderen mensch had, maar der was niemand anders, en het was wel tegen mij dat ze Fransch klapte.

„Zijt ge niet abuus, me kind?" vroeg ik vriendelijk, en ze begost te lachen en zei nog eens: „Bonswaar seri," en ze kwam wat dichterbij. Toen wierd ik zoo koud als een mes want ik raadde dat ik met een slecht stuk te doen had, in 't Sint-Job te Diest of te Schaffen zou 'k me niet gegeneerd hebben, maar hier te Brussel zoo laat op den avond en dan nog in 't Fransch. En zoo astrant om een mensch op straat aan te spreken zijn ze toch te Diest niet. Ik kost aan dat vrouwmensch niet gaan uitleggen dat ze met een serieuzen burger te doen had al had ik geen klak op, en zonder nog iet te zeggen ging ik door, en ze ging verdomme mee, en ze bekeek

Sluiten