Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

klabolder met stoel en eemer den trap af. Daar zijn van die momenten dat een mensch liever niet zou bestaan .... Ik was zoo nat als een snep, de stoel was met één poot tusschen de trapleuning blijven steken, en de eemer was tot tegen de deur gerold. Ik meende eerst den dooie uit te hangen en te zeggen dat ik uitgeschoven was. Het wijf van beneên trok de deur eens open en ik hoorde ze tegen iemand naar binnen zeggen: ,,'t Is die ouwe kwibus weer van 't hoogste!" Ik kroop recht en toen zag ik eerst dat die twee heksen op den denter naar mij stonden te loeren en dat ze lachten als zot, en achter hen kwamen Gustaf en Rozalien den trap af.

„Is me dat nu een manier van daar zoo'n stoel tegen den trap te zetten! riep ik koleirig, en dan moet ge daar potverdekke nog staan lachen!"

Ik zei dat maar om me uit den slag te trekken en ik meende dat ze 't zouden gesnapt hebben dat het niet serieus gemeend was, maar de dikste van de twee scheen dat zoo niet op te nemen en bralde me tegen: „Watte! fijne f af oei! En dat dan?" en ze stak gedorie mijnen brief omhoog, dikke vrouwlie gaan gemeenlijk zoo stom te werk. Dan draaide ze heur eigen om naar Gustaf en zei: „Dat komt bij ne mensch boven door den waaier loeren, den die daar zie, en lees maar es wat 'm over u peist," en daarmee gaf zij den brief aan Gustaf. Ik zeg, daar zijn momenten dat een mensch liever niet zou bestaan. Ik meende dat ik dood viel toen ik Gustaf daar met mijn brief in zijn pooten zag staan gapen. Die verdommesche stinker had er me daar eens smerig ingelapt!

Ik meende me om te draaien en recht de deur uit te gaan om niet meer weerom te komen, maar mijn pakske stond er nog. En het half uurke dat ik toen nog bij mijn familie van Brussel heb doorgebracht

Sluiten