Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mijn broek plekte tegen mijn beenen van 't zweet. Ik slikte.

Ik klopte en deed tegelijk de deur open. Bidoul zat met zijn kop in zijn handen achter zijn lessenaar.

„Wat is er?" vroeg 'm koleirig weg.

„Menheer Bidoul, zei ik, ik zou geerne es een woordeke willen spreken."

Ik bleef bij de deur staan, 't Was aan zijn gezicht te zien dat 'm met een zwaar ei zat.

„Waarover?" vroeg 'm.

,,'k Heb m'n heel leven hard gewerkt, menheer Bidoul. . . ."

„Opslag? Geen kwestie van, vogel, ge verdient hier meer dan ge weerd zijt, en als 't u niet meer aanstaat dan kunt ge uw pakske maken!"

„Ge zijt leelijk abuus, menheer, antwoordde ik een bitje geraakt, ik vraag geenen opslag, ik ga voor mijn eigen beginnen, maar ik heb eerst met u nog een eike te pellen."

Hij bezag me met valsche oogen en vroeg: „Wat wilt ge daar mee zeggen, kadee?"

Kadee! Dedju, en dat van zoo'n stuk mesjeu! Ik begost m'n eigen dik te maken, en dat kwam me nu eigenlijk goed van pas, het miek me kloeker. Ik sloeg ineens met mijn vuist op zijn lessenaar en schreeuwde :

„Daar is hier potverdomme geen kwestie van kadees, maar ge geeft me drij duzend mark en een pas of ik breng u met al uwen floos in 't prison! — nu kunt ge kiezen of deelen!"

Bidoul stond recht met zijn mond wijd open, maar hij kost niks zeggen van de gepaktheid. Hij was zoo wit geworden als krijt.

„Wat weet ge van mij te zeggen?" broebbelde m'n.

„Hangt nu den onnoozele Sus niet uit, menheer Bidoul, snauwde ik hem in zijn gezicht, dat schrijf-

Sluiten