Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

straat de helle winkel-schel door den avond klinkt en zij in de lange gestalte met den vollen hengselmand aan den arm Tanne Ingelse herkennen. Het geluid van haar voetstappen valt nadrukkelijk en benauwend in de groeiende stilte. Pier van Bram spuwt aandachtig op den grond.

- 'n Pront wuuf, dat is het, zegt hij traag, wanneer Tanne Ingelse om den hoek verdwijnt en de straat weer verlaten ligt in den vagen, onrustigen schemer der gaslantaarns. Maar geen der anderen gaat er verder op in.

Een vreemdelinge is Tanne Ingelse onder hen, ook al trouwde zij met een van het dorp. Een vreemdelinge, waaraan zij nooit gewend zullen raken, wier verschijning telkens weer een beklemming over hen legt. Zij hoort er niet. Tusschen het dorp en haar staat een gesloten vijandigheid.

Geen van het dorp zal ooit het smalle klinkerpad opgaan dat uit het golvende vroonland stijgt naar de lage, grauwe lichtwachterswoning. Zij gaan er honderden malen aan voorbij, zij gaan er duizenden malen aan voorbij en nooit is deze gedachte in hen opgekomen.

Het lage, grauwe huis staat er besloten in een volkomen afzondering. In de eenzaamheid en stilte van helm en hooge luchten. Als de lenteavonden zoel worden en de landwind geuren aanvoert van bloesemende meidoorn-hagen, zien zij Tanne Ingelse op de groene bank voor het huis zitten. Zij breit, soms ook liggen de handen vermoeid in haar schoot. Het kind speelt aan haar

Sluiten