Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ze zouden als altijd deelen, Lou van Zakke en hij, en dat kwam goed van pas, want al zou er na dezen nacht wel weer een paar dagen werk aan den dijk bijkomen - met die paar centen komt eenen mensch den winter niet door en dienen doode had er toch ook niks meer an. Als die langer in zee had gelegen, dan zouden de visschen het geld gevreten hebben en dat is zonde, want die nebben er warentig toch heelemaal geenen bliksem an.

Gabe Vader klimt het duin op.

De groote zeewind zet eenen sterken stut in zijnen rug. Hij voelt zich moe en koud tot op zijn gebeente, die van Vader. Zijn oogen doen zeer van het scherpe zeewater en den feilen wind, in zijn hoofd is een leeg en wee gevoel, daar ergens treiterend achter zijne oogen. Die gast daareven had al dien tijd gelegen op het zand met zijn rechteroog wijd open en het andere dicht. Dat was geen aangenamen gezicht geweest. Zijn tong hing dik en purper gezwollen tusschen de lippen. Het was eigenlijk net alsof hij zijnen tong tegen je uitstak, alsof dat eene groote, ronde oog je voortdurend ankeek. Dat was van eigens baarlijken onzin. Want als er ooit een Noor dood geweest was, dan toch zeker den dezen...

Nu hij aan de landzijde afdaalt en voor enkele oogenblikken door de windrukken wordt losgelaten voelt hij sterker dan te voren hoè moe en hoè koud hij is. Geen wonder na zoo eenen beest van een nacht. Hij ziet in de grauwe verte het kleine licht blinken van het baken op het duin.

Sluiten