Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

onder de lafenis der schoonheid die hij daar in een lang leven om zich had gesteld. En stilaan had hij zich met weemoed moeten bekennen, dat hij nimmer eenig levend wezen zóózeer had bemind, als het edel gepenseelde doek van Van Dyck aan zijn kamerwand, het portret van Hare Genade Mylady Tyne, dat nog altijd, na een bestaan van driehonderd jaar, met wonderbare klaarheid zijn oogen noodde tot een ontroerende ontmoeting.

De stijgende parfumdampen prikkelden hinderlijker bij de gedachte aan Mylady Tyne's reine beeltenis. De Earl wenkte den bediende, dat die zou voorgaan met het licht.

Maar hij werd staande gehouden, plotseling, door een geluid dat remde. Tusschen de mondaine feestgeluiden drong een stroom van klanken uit gansch andere sfeer, alsof het verward lawaai van druk stadsverkeer plotseling binnenstroomde door een opengestooten deur. Geschuifel van zolen, toen een luide lach, een vreemde lach, overstemd door druk gepraat dat geen conversatie was, eer de echo van het rumoer eener menigte.

Lord Tyne keek over de balustrade en zag neer in een groep mannen, — wie had deze menschen toegelaten? dit waren geen gasten, dit waren ongenooden, deze menschen droegen niet de avondkleeding, die heeren dragen.

Wat beteekende dit?

Moest hij nu teruggaan, — ingrijpen — den eenmaal afgesloten dag weer verder voortzetten? Een weeë onlust overspoelde hem, een kramp van tegenzin trok door hem heen, boog zijn hoofd, deed zijn handen slap vallen.

Sluiten