Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

moest gevuld worden omdat het telkens leeg was. Hij maakte het zelf leeg om het weer te vullen, dat moest zoo, leegmaken en vullen. Dat was het werk.

Als de houten lepel het emmertje heelemaal had volgeschept, zoo vol dat het zand zichzelf niet meer vasthield langs den rand, keek het jongetje op naar de oogen van moeder, die er altijd waren. Want dan werd het werk moeilijk en moeder knikte dat ze het zag.

Dan kwam een hand die er nog niet was geweest en die het lepeltje overnam. Dat was niet moeders hand met den zachten witleeren handschoen, want die mocht niet vuil worden, maar het was de hand van Mijntje, die geen handschoenen droeg; wel had Mijntje een witkanten kap met gouden kurketrekkers.

Mijntje's hand kwam juist altijd als het noodig was om den lepel over te nemen. Want als het emmertje vol was, moest de lepel hard slaan op het zand, tot het vast en plat en stevig stond in het emmertje, en het jongetje kon nog niet hard genoeg slaan.

Als de hand van Mijntje den lepel neerlegde en teruggreep naar een witte breikous, die ook nog ergens lag in de wereld, zuchtte hij diep omdat nu het moeilijke werk begon, waaraan Mijntje niet mocht meehelpen omdat hij het zelf wilde doen. Zijn twee handen, die zich heel klein voelden tegen het rondgebogen blik moesten klemmen en den zwaren zandemmer voorzichtig maar ook vlug omzwiepen. Daarna kwam telkens een heel groot oogenblik, telkens het nieuwe groote oogenblik, wanneer het leege, lichte emmertje moest worden afgelicht van een vorm die er nog niet was geweest.

Sluiten