is toegevoegd aan uw favorieten.

Het oogenblik

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— Daarnaar zou hij niemand kunnen vragen. Niemand mogen vragen ....

Plotseling, in een rilling, voelde hij zich aan zichzelven ontvallen, verloor hij zichzelf, alles wat hij was, in den ijzig stekenden storm van woede, die hem voortblies. Een koude drift perste pijnlijk zijn krimpend hart ineen, een woeste, wanhopige wil drong omhoog en balde zich ijzerhard in zijn vuist. Met een sprong stond hij weer naast de kist en duwde zijn verknepen knoken voor het starre lijkengezicht. „Ploert! Plebejer! Waarom heb je het gedaan?" Hij hijgde. In de ondraaglijk persende spanning van woede en vrees voorvoelde hij den doffen stomp, dien hij stooten zou als niet het antwoord kwam.

Maar het kwam niet. Alleen zag hij plotseling in een schelle flits zijn eigen roode, levende vierkante vuist tegen het gele, roerlooze wasgezicht.

Hij staarde op de vuist, — was dit zijn hand? — de vuist ging los, werd weer deel van zijn arm en viel slap langs zijn zij. Schuw gleed zijn blik over het doodenmasker of het nog een antwoord geven zou, hij voelde dat het nog antwoorden zou en hem murw maken.

Maar het bleef roerloos. Alleen kroop langzaam een gedachte in hem omhoog, ze greep zich verder met kleine hakende klauwtjes tot ze in zijn hersens woorden zei: „Je bent zijn zoon, Je kunt je ook niet beheerschen." De woorden klonken na, ze herhaalden zich, ze gingen dreunen. Met gebogen hoofd doorhoorde hij de woorden zijn oogen bezagen de hand, die een vuist was geweest. Zijn adem hield zich beklemd terug, want bij iedere ademhaling drong nu de vunzige lijken walm op hem toe.