is toegevoegd aan uw favorieten.

Het oogenblik

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wij gebaar plegen te noemen. Maar waartoe zijn gebaren, zelfs groote gebaren van nut? Kan een man tusschen de dertig en veertig niet een zeer bevredigend leven leiden zonder gebaar en zonder overdrijving? Zelfs in zijn privébestaan, een zeer bijkomstig bestaan op een met rood pluche en glimmend mahonie gestoffeerde huurkamer, leefde Van Dogteren zonder de verrassingen en emoties welke een uitweg doen zoeken in blijkbaar nuttelooze beweging. Hij verwachtte des morgens zijn kadetjes met de kaas, de koek en het ei, zij kwamen prompt. Hij verwachtte des namiddags zijn osselapjes, zijn puddinkje en de krant die men Tante Nieuws noemde, zij kwamen met de zekerheid van het jaarlijksch belastingbiljet. Hij verwachtte op den Zaterdagavond de welgedoseerde hoeveelheid liefde, die een gasthuisverpleegster hem te schenken had, nadat ze een enkelen patiënt en den inwonenden geneesheer niet ongetroost had gelaten, — de liefde werd hem thuisgebracht. Zoo zeker was hij dat alles komt tot hem die wachten kan, dat hij zelfs geen haast maakte met het toonen der verteederde aandoening die hij koesterde voor het dochtertje van zijn hospita, maar zonder ongeduld den tijd verwachtte, waarop ze gemist zou kunnen worden uit het groote gezin van haar moeder, waarna hij haar blonde vlechten en blauwe oogen zijn eigendom wenschte te maken. En zoo veilig had hij ook dit huwelijksideaal geborgen in zijn Toekomst, dat hij het lieve meisje nog geen nadere avances had gemaakt dan het semi-vaderlijk kneepje, waarmee hij nu en dan ondanks zichzelf haar wang tusschen zijn vingers nam. Hij kende passie noch haast.