Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

OVER de smalle paden der wouden oostelijk van den Rijn reed Civilis naar het dal van de Lippe.

De wijze maagd, de goddelijke Vala, die de Romeinen Veleda noemden, woonde in een toren, uit ruwe boomstammen gebouwd op een heuveltop, omringd door de schemering van eeuwen-oude beukenwouden die daalden de hellingen af tot aan den stroom. Zelden werd een bezoeker tot haar toegelaten; alleen priesters en stamvorsten zagen haar van aangezicht tot aangezicht; anderen spraken slechts met haar dienaressen of met de wachters.

Zij zat in een leunzetel toen Civilis, den tweden avond van zijn rit, voor haar stond. Een stil haardvuur gloeide op den stenen vloer midden in de hoge ruimte.

„Ik wist dat je komen zou, Chlodio," zeide zij. „Al wat er gebeurt in het grote rijk der Romeinen wordt mij door trouwe boodschappers bericht. Ik wist ook dat je verminkt bent in den oorlog. Maar dat het zó wreed zou zijn...."

Het ene oog van den Bataaf fonkelde, groot, doordringend van straling. Over de donkere wond van het andere hing het lid half neer. En een woeste grijnslach ver-

Sluiten