Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Heusch echt. Ik krijg het zoo warm van bier."

„Nou goed dan.... En jij Versteegh?...."

„Geef mij een splitje, Kostman. En laat het dan als-je-blieft hier neerzetten.... ik moet even de hofmeesters de fooien geven.... ben direct terug...."

„Ik pas wel op je vrouw, zoolang!" grapte Kostman met een knipoogje. Even later bracht een javaansche bediende de dranken.

„Nou prosit, mevrouw.... op jullie gezondheid en dat je man gauw baas mag worden.... en 'n hoop pitten verdienen 1

Hij zette het glas aan zijn mond, goot het leeg in één teug.

„Jónges," smakte hij na.... „dat smaakt 1" En hij veegde het schuim van zijn mond. Dan, met het glas in de hand wijzend op een stoombootje, dat snel naderde:

„Daar heb je de Janssen.... Nou hebben we het heusch gehad.... de reis. Weer vijf jaren voor de boeg."

Hij zei het luchtig, half spottend. Met tóch even een lichten weemoed in zijn stem. Maar dan, zich ver over de verschansing buigend, zijn hand als een toeter voor zijn mond, schreeuwde hij naar het stoombootje:

„Hóógstra-tenin Hél!! Hallo!!!"

Op het dek van de Janssen stond een groepje planters. Zware dikke kerels, in witte „toetoep-pakken" en helmhoeden. Op hun opgeheven, rood-verbrande gezichten lag een joviale gemoedelijkheid. Zij waren in tegenstelling met andere tropen-Europeanen, die er loom, bleek en ziekelijk uitzagen, luidruchtig, en van een oogenschijnlijke bloeiende gezondheid, door het leven in de open lucht en blakende zonneschijn.

Terwijl het bootje langs zij voer, schreeuwden ze om beurten hun vragen naar boven.

„Hallo.... Kós'.... hoe was 't in de ouwe NegeriBlanda?"

„Ben je vaak bezópe geweest?...."

„Ben je getrouwd ?...."

En Kostman schreeuwde zijn vragen terug:

„Hoe staat de tabak?.... Hoe?.... Rot?.... Geen regen? Verdomme! 9

Even later kwamen de anderen aan boord. Een uitbundige begroeting volgde.

„Je ben dik geworde, jö!!.... En hoe was het?.... Heb

Sluiten