Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

naar de paarden, en daar draven ze al heen door de pampa, het eerste flauwe lichten van de dageraad tegemoet. Ze moeten een paar heuvelkopjes om rijden, die donkergrijs staan in het ijle vaalrood. Plotseling schokt Emilio's paard stil, en de jonge López keert zich half naar hem om.

— „Nou?" vraagt hij.

— „Ik geloof allejezus dat de Eenoog gelijk heeft." Emilio snuift met grote halen, zijn neusvleugels staan

wijd open. En de jonge López ziet dat ook EmikVs paard zo doet en dat de zachte grijze randen van de neusgaten trillen. „Zie je wel..." zegt hij; maar op hetzelfde ogenblik steigert zijn eigen paard, en tegelijkertijd roept Emilio: „Pas op!", en geen halve seconde daarna zoemen een paar pijlen vlak langs hen heen.

Niemand ziet hij, maar de gaucho naast hem heeft al twee schoten in de richting van de heuveltjes gelost en ook hij vuurt nu in het wilde weg. Op het moment dat ze weer laden, duiken tien, twintig indianenkoppen op, andere zwaaien zich te paard, en instinctief keert het dier van López zich in de richting van de estancia en holt voort. Emilio is toch weer naast hem. „Ja, vooruit!" vermaant hij. Onder het rijden heeft hij opnieuw geladen en bovendien de haan van zijn pistolen gespannen.

De indianen zitten hen achterna, doch met een wijde, óm-trekkende beweging. Ze worden steeds talrijker en verspreiden zich over de pampa. Het is alsof ze tevoorschijn duiken uit de vurige poort die de zon nu boven de horizon vormt, een zwerm vliegen over de goudrode koek dezer aarde.

Sluiten