Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

XI

TOESCHOUWER VAN VERRE

Een hete wind waait over de dorre vlakte, die wekenlang heeft liggen schroeien onder de meedogenloze zon, zonder dat één druppel regen viel. Bij vleugen dwarrelt een hchte reuk van hooi, verrotting, stof, en snuivend staat een paard stil, terwijl de wind de dunne vlokken schuim wegblaast van zijn mond. Het is een centaur die in de eindeloze pampa verdwaald geraakte en nu spiedend omziet naar alle kanten. Zijn bovenlijf is naakt en bruingebrand, de borstkas breed, de armen gespierd, op de fiere nek een donker hoofd met enkele veren versierd. Het gezicht is onbewogen.

De centaur is bij een heesterbosje aangekomen, dat gelig ziet van verdorring. Hij bukt zich terzijde van de paardenromp en rukt een paar plukken hooi los. Dat bosje legt bij vóór zich neer op het zadel. Dan woelt hij uit de huiden die hij om de lenden draagt, een tondeldoos tevoorschijn, slaat in het zwam een kleine vonk die hij voorzichtig aanblaast, en waarmee een dunne hooispriet aangestoken wordt. Die zwaait hij in de, wind met het bosje hooi dat plotseling opvlamt.

Goddelijk vuur! Gezegend vuur van wraak en hartstocht, van liefde en haat! De centaur zou willen knielen op de dorre vlakte om het vuur te aanbidden dat de aardse afglans is van het grote geheimzinnige vuur

Sluiten