Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

plek, waar hij de laatste restanten van zijn hacenderoliefhebberijen botviert. De dagen dat hij er is, wijst hij de talloze tuiniers en arbeiders met het puntje van zijn wandelstok wat geplant en wat gewied moet worden. Grote slavenloodsen hggen op enige tientallen meters afstand van het woonhuis dat verdiepingloos maar breeduit ligt met zijn talloze hoge vensters, door dicht geboomte overlommerd. In de loodsen woont behalve het werkvolk ook Rosas' lijfwacht, uitsluitend uit negers bestaande, die hem aanzien voor een mensgeworden godenzoon, en aan wie hij een speciale heilige heeft toegewezen: San Benito de Palermo. Een zwarte franciscaner-pater met een kruisbeeld in de linker-, en een bloedend broodje in de rechterhand. Een neger-heilige die de zoon van slaven was . ..

Hier komt Juan Manuel bij tussenpozen om te trachten de beslommeringen van het staatsleven een weinig te vergeten. Hier hebben slechts zeer weinige vertrouwden en famüieleden toegang, en slechts de zeer weinige hogere functionarissen die hij een zekere achting toedraagt, zoals zijn minister van buitenlandse zaken, Febpe Arana, die hij nooit anders dan „Don Batata", — mijnheer Aardappel, — noemt, of de oude Manuel Maza, de president der Volksvertegenwoordiging die hem als groot jurist dikwijls van raad dient en die hij als een vaderlijke vriend beschouwt.

Soms wordt nog de een of andere oude generaal ontvangen, die hij jongensachtig met de voornaam aanspreekt, terwijl hij zijn nar Eusebio nooit anders dan met de titel „Uw Excellentie" of „Heer goeverneur bejegent, sinds hij hem benoemd heeft tot Gek van de

Sluiten